De homogenisatie is noodzakelijk, als je klimatologie wilt bedrijven. Helaas is in De Bilt (alleen) met een pagode gewerkt, die in belangrijke mate afwijkende meetwaardes veroorzaakt. Pas vanaf 1950 is met een Stevenson hut gewerkt.
De grootte van de noodzakelijke homogenisatie kan bepaald worden door vergelijking van De Bilt op jaarbasis met de vier andere hoofdstations (ook na hun homogenisatie). De resultaten van die vergelijking heb ik weergegeven in grafiek 1. We zien dat De Bilt voor 1950 gemiddeld 3,1 graden afwijkt van de andere stations, daarna gemiddeld 2,9. Daaruit volgt dat er nog iets te weinig gehomogenseerd is! Aan het eind van de reeks gaat de afwijking richting 3,0 graad, dit kan toegeschreven worden aan het toenemende stadseffect.
Kritiek mag (en moet) wat mij betreft wel geleverd worden op de invloed van de homogenisatie op de dagelijkse homogeniteit van de metingen. In figuur 2 zie je de correcties van de maximum temperatuur voor september, de helft wordt niet veel gecorrigeerd, een aantal metingen behoorlijk sterk. De hoogte van de correctie is helemaal afhankelijk van de gemeten temperatuur. Het kritiekpunt betreft de onafhankelijkheid van de correctie voor de factor die het meest verstorend was tijdens de metingen, namelijk de instraling van de zon. Hoge temperaturen worden met meest aangepast, maar bij een aanzienlijk aantal hiervan was de zonneschijn die dag minimaal. Bovendien stond er op veel van die dagen veel wind, dus de ventilatie was in orde. Daar tegenover worden koele dagen met weinig wind en veel zon amper of niet gecorrigeerd. Een aanverwant nadeel van de methode is dat dagen soms niet op elkaar aansluiten, bijvoorbeeld doordat de minima van de ene dag hoger zijn dan de maxima van de volgende.
Michiel (Bunnik) heeft vorig jaar deze problematie op het verdiepingsforum uitgebreid aan de orde gesteld: https://www.weerwoord.be/m/2227437