Het weeralarm van gisteren was meteorologisch gezien een succes, net als alle voorgaande alarmen. De stelling van de ANWB dat bij weeralarmen in het verleden 'bij vele ervan er niets gebeurde wat voorspeld was' duidt vooral op een gebrekkig geheugen (gezien hun eigen problemen met het 'spitsalarm' wellicht bewust?). Een korte beschouwing.
Zeer zware windstoten zijn gisteren niet opgetreden, de hoogste windstoot was 18,5 m/s in Zeeland. Die werd gemeten vlak nadat de wind naar het westen was gedraaid. De voornaamste reden dat de windstoten meevielen was het feit dat de buien, in tegenstelling tot de verwachting, niet vooral op de convergentielijn ontstonden (waarop ook de wind omging van zuid-zuidoost naar west) maar veel westelijker. De buien bevonden zich in een gebied waarin relatief beperkte temperatuurcontrasten aanwezig waren. Juist dergelijke grote contrasten in temperatuur zijn bevorderlijk voor windstoten.
De windstoten vielen dus mee, maar zwaar onweer is wel opgetreden (in diverse delen van het land werd het criterium van 500 ontladingen/5 min ruim overschreden) en er is ook lokaal hagel waargenomen met een dwarsdoorsnede van 2 tot 4 cm (o.a. in Holwerd). Verder viel inderdaad op hoe snel de buien zich ontwikkelden. Daarmee is inhoudelijk het weeralarm vrijwel volledig uitgekomen, alleen het criterium waaronder het allemaal uitgegeven werd kwam niet uit. Achteraf gesproken, wat niets verandert aan de juistheid van de verwachting vooraf (vele indicatoren wezen immers op datgene dat verwacht werd), had het weeralarm uitgegeven moeten worden voor zwaar onweer en hadden de windstoten niet genoemd hoeven te worden. Mogelijk had het, vooral later op de dag, ook iets meer geregionaliseerd kunnen worden.
Dat is een beschouwing binnen de huidige opzet van het weeralarm. De voornaamste discussie die men nu voert gaat over het veranderen van die opzet. Er bestaat een grote kloof tussen de perceptie van de bevolking over de juistheid van het weeralarm en de aantoonbare juistheid. Die perceptie verdient aandacht, omdat deze invloed heeft op de volgzaamheid in de toekomst. Waarschijnlijk is de kloof deels ontstaan door het gebruik van het woord 'alarm', dat een acuut probleem of gevaar aanduidt. Het weeralarm wordt doorgaans ruim van te voren uitgegeven, om mensen de gelegenheid te geven zich voor te bereiden. Dit doet echter afbreuk aan het woordbeeld van weeralarm.
Je kunt het concept van het weeralarm verbuigen naar een gefaseerd systeem, met als overkoepelende term: weergevaar. De fases kunnen in kleuren en nummers worden gegeven, fase 1 (geel), fase 2 (oranje) en fase 3 (rood). Fase 1 betekent dat het weer gevaarlijk kan worden, maar dat het nog niet acuut is. Blijf wel de weersverwachtingen volgen om te bekijken of mogelijk het gevaar groter wordt. Een fase 2 betekent gevaar door weersomstandigheden in de komende paar uur, tref eventueel voorbereidingen, fase 3 betekent acuut gevaar. Een fase 1 kan dus rustig 12 tot 24 uur van te voren worden uitgegeven, fase 2 kan 6 uur van te voren worden afgekondigd en fase 3 hooguit 1 à 2 uur van te voren.
Verder dienen de fasen per gemeente of deel van een provincie uitgegeven te kunnen worden. Op die manier ontstaat een waarschuwingssysteem dat de vrijheid biedt om op regionaal niveau trapsgewijs te waarschuwen, waarbij beter duidelijk gemaakt kan worden hoe nabij of gevaarlijk het weer wordt. Daarnaast is het belangrijk dat er geen vaste criteria zijn waarbij weergevaar afgekondigd wordt, want hoewel toetsbaarheid het voordeel van goede verificatie brengt, blijft het onpraktisch in het geval van complexe weersomstandigheden en beperkt het de meteoroloog om te waarschuwen voor uitzonderlijke situaties.
Gr. Ben
Voorbeeld van gefaseerd systeem voor weergevaar met verplaatsende onweerslijn.
Quote selectie