Maar wat, als dat afwijkende weerpatroon ook veroorzaakt is door de lineaire opwarming? Als er effect van een lineaire opwarming zou zijn plus (normaal) wisselende weerpatronen, zouden die homogeniteitsindices dan wel significant uitslaan? Dat is misschien nader te onderzoeken door een niet-opwarmingsafhankelijke maat (dus niet temperatuur zelf) voor het 'type weerpatroon' te toetsen op homogeniteitsbreuken. Misschien de windrichting of de NAO ofzo.
Een mooie vervolgvraag inderdaad. Ik heb er zelf ook al aan zitten te denken, maar je moet er ook weer rekening mee houden dat wind afhankelijk is van drukpatronen en drukpatronen ook weer door de mondiale temperatuurverdeling beïnvloed worden. Het is moeilijk zoniet onmogelijk om een niet-opwarmingsafhankelijke maat te vinden, immers het hele weer/klimaat drijft op warmte. Desondanks zijn drukpatronen een stuk robuuster dan de jaar-op-jaartemperatuur of zelfs langjarige temperatuurveranderingen, omdat de noord-zuidverdeling van temperatuur veel minder veranderd. Een verandering in de magnitude van de temperatuurverschillen zorgt vermoedelijk wel voor veranderingen in de sterkte van de patronen maar nog niet direct in de verdeling/vorm ervan. Tot slot nog de vraag in hoeverre deze 'inhomogeniteit' ruimtelijk aanwezig is: vinden we 'm ook terug in de reeksen van Ukkel, London en Berlijn bijvoorbeeld? Of zelfs over heel west-Europa?
Nou goed, dat waren alle 'maren'. Ik heb de vervolgvragen getracht te beantwoorden, allereerst is de gereconstrueerde NAO-index genomen over 1821-heden (Jones, 1997, daarna bijgewerkt door Tim Osborn). Zie hieronder het resultaat:
De meest dominante verschuiving in de jaargemiddelden van de NAO-index wordt gevonden in 1936. Deze verschuiving is niet statistisch significant. Kijken we in de periode na 1936, dan is het eerstvolgende jaar dat we tegenkomen.... 1989

. Deze verschuiving is echter eveneens niet statistisch significant.
Tenslotte heb ik nog de HadCRUT3 ruimtelijke temperatuurreconstructie 1850-heden gepakt, daar een ruimtelijk gemiddelde uitgehaald voor het gebied 60N-35N/10W-30E en daar ook de test overheen gehaald. Het resultaat hieronder.
Wederom is het jaar van de verschuiving 1988. De getoetste waarde is hoogst significant (>99%).
De conclusie mag dus in iedergeval luiden dat de verschuiving geen stationsgebonden fenomeen is, het is gemiddeld gezien over heel west-Europa significant te toetsen. In een poging het te koppelen aan veranderingen in het stromingspatroon boven de oceaan (NAO), blijkt dat de NAO weliswaar een verschuiving vertoont in 1989 maar deze niet significant te toetsen is. Op zich ondersteunt dit de hypothese dat de waargenomen statistisch significante verschuiving in de temperatuurreeks, niet door slechts één (overheersende) factor is veroorzaakt. Je zou nu kunnen kijken naar een combinatie van de NAO en de trend in de stralingsbalans bijvoorbeeld.
Bronnen
- Jones, P.D., Jónsson, T. and Wheeler, D., 1997: Extension to the North Atlantic Oscillation using early instrumental pressure observations from Gibraltar and South-West Iceland. Int. J. Climatol. 17, 1433-1450.
- Brohan, P., J.J. Kennedy, I. Harris, S.F.B. Tett and P.D. Jones, 2006: Uncertainty estimates in regional and global observed temperature changes: a new dataset from 1850. J. Geophysical Research 111, D12106
Gr. Ben
Quote selectie