Ik vind jouw denkwijze te kort door de bocht. Je gaat er vanuit dat de inversie op dezelfde hoogte blijft liggen terwijl in werkelijkheid stabielere en onstabielere lagen vaak meereizen met de vorstgrens en het ijskiemniveau. De vertikale opbouw van de atmosfeer wordt sterk beinvloed door de verschillende agregatie toestanden van water. De energie- en waterhuishouding, in combinatie met de straling, spelen een belangrijke rol in de vertikale verdeling van warme/koude en droge/vochtige luchtlagen.
Zo valt het me vaak op dat er, in bepaalde situaties, vlak boven het nulgradenniveau een stabielere laag hangt met een sterk dalende RV. Deze laag wordt aan de onderkant begrenst door velden stratocumulus of altocumlus, afhankelijk van de hoogte van de vorstgrens. Bij polaire luchtsoort zie je in de zomer de cumulus uitspreiden in altocumulus en in de winter in stratocumulus. Door afkoeling boven in de wolkenlaag ontspringt daar een inversie.
Is er sprake van geleidelijk optilling dan verzwakt de inversie en wordt de stabiele laag in de richting van het ijskiemniveau getild. Op deze wijze kan, bijvoorbeeld, een trog in de bovenlucht, in samenwerking met convectie van onderen, buien triggeren. Is er sprake van daling dan verscherpt de inversie en ontwikkeld zich tot subsidentie inversie.
Los hiervan speelt de broeikasverwarming zich voornamelijk onderin af, terwijl de hogere luchtlagen afkoelen. Dit bevordert de stabiliteit en volgens deze zienswijze koelt de tropopauze af en komt gemiddeld hoger te liggen.
Dit levert vaker en zwaardere buien op. Uit (mijn voorlopige) berekening blijkt echter dat de tropopauze ook opwarmt.
Victor
Quote selectie