je vergeet voor het gemak een aantal parameters:
- Wat is de windrichting? Bij een oostenwind is de lucht in de onderste luchtlagenb kouder dan bij een aanlandige wind.
- Is de lucht in de onderste luchtlagen droog of niet? (natte bol temperaturen). Hoe droger de lucht, hoe meer energie er aan de omringende lucht onttrokken moet worden om de vallende neerslag (in hogere luchtlagen sneeuw) te doen smelten. Die vraag naar energie doet de temperaturen in de onderste luchtlagen dalen. Alleen bij genoeg neerslag, zoals op 25-11-05 kan de temperatuur voldoende doen dalen om sneeuw te laten vallen op waarnemingshoogte.
- Wat zijn de dauwpunten en wat zijn de diktewaarden. Oftewel; hoe laag of hoog ligt bijvoorbeeld het 500 hPa drukvlak. Bij een lage ligging weet je dat de onderliggende laag koud is (koude lucht is zwaarder, dus compacter).
- enzovoort.
Alleen naar een ensemble kijken is dus volstrekt onvoldoende!
Quote selectie