Na het "relletje" over de neerslag in Eernewoude komen mij een paar andere gevallen van extreme waarnemingen in herinnering.
Het is goed om te bedenken dat er terecht kritisch gereageerd wordt.
Soms is er in eerste (of zelfs in derde of vierde instantie) twijfel over de juistheid. Dat kan leiden tot herziening of tot bevestiging.
Een paar voorbeelden:
1. De 38,6 van 23 augustus 1944 wordt wel eens voorzichtig in twijfel getrokken. Toch moet deze waarneming als juist worden gezien; in een deel van het land, oa Maastricht werd de 38 graden bereikt of overschreden. Ik neem aan dat ook de betrouwbaarheid van de waarnemer hier een rol speelt. Deze waarde staat dus nog altijd. 1-0
2. Op 14 februari meldde Jan Bolt uit Uithuizermeden om half 6 in de ochtend dat hij zijn weerhut niet meer kon bereiken omdat deze achter een sneeuwduin van 2 meter was verdwenen. Dat alles bij -8 en windkracht 8 uit het oosten. Ongeloof vanuit het KNMI was zijn deel in eerste instantie. Het drong pas later tot het KNMI door hoe heftig de situatie in het noorden was. 2-0
3. Op 14 februari stond voor Leeuwarden tussen 18 en 19 uur een windkracht 10 in de boeken. Volgens Rob Sluijter berustte dit op een meetfout met een handwindmeter; de vaste windmeter zat vastgevroren. Niet vreemd, zo'n fout, als je de omstandigheden in aanmerking neemt. Hoe kan je 10 minuten bij windkracht 7 tot 8 en een temperatuur van -8 of -9 blijven staan met een windmeter in de hand? En dan ook nog correct aflezen? Deze waarneming van 10 Beaufort verloor het. 2-1
Edit: Kritisch zijn mag en moet. Ik neem nu aan dat de waarneming van Eernewoude, door Mark gemeld, wel in de richting zit.
Nadere beschouwing leert dat we het getal niet kunnen vertrouwen.
De stand is dus 2-2. (Of 3-1 als je "in de richting zitten" voldoende vindt)
Nog meer voorbeelden? Roept u maar.
Groet,
Cees
Quote selectie