Het heeft alles te maken met de kansen dat iets gaat optreden en de kans dat iets voorkomt/opgetreden is. Voorbeeld:
De kans op een koude winter in een willekeurig jaar is 25%. Dit is de a-priori-kans. Analoog is de kans op het gooien van een zes met een dobbelsteen (1/6de). Iedereen weet dat vijfmaal achtereen een zes gooien erg weinig voorkomt. De kans dat dit voorkomt, is 1/7776 of circa 0,012%. Dit is de voorkomingskans.
Uitgangspunten zijn wel dat winters geheel onafhankelijk zijn en de kansen op een koude of zachte winter onveranderd blijven. Het eerste uitgangspunt klopt wel (er is geen significante
autocorrelatie, m.a.w. je kan de wintertemperatuur niet voorspellen aan de hand van de vorige winter) maar de tweede niet. 'Zachte winters', tenzij de norm aan de hand waarvan zacht en koud wordt bepaald ook continu verschuift voor een gelijkblijvende a-priori-kans, worden steeds waarschijnlijker door opwarming van het klimaat.
Als je de trend in wintertemperatuur van de reeksen afhaalt, kan je snel aantonen dat de afgelopen 307 jaar (Labrijn reeks) de winters zich netjes volgens de willekeurige-kansstatistiek hebben gedragen. Te weten, met genormaliseerde a-priori-kans van 25% op een koude winter, moeten er sinds 1706 zijn voorgekomen:
19 keer twee koude winters op rij (waargenomen 14)
5 keer drie koude winters op rij (waargenomen 5)
1 keer vier koude winters op rij (waargenomen 0)
Volgens de statistiek had er -gemiddeld- dus zelfs een reeks van vier koude winters op rij moeten zijn geweest, maar die is niet waargenomen. Nu is de kans daarop in een reeks van 307 winters ook geen 100%, maar bijna 70%. Dat 'ie er niet bijzit, kan je dus makkelijk puur toeval noemen

.
Gr. Ben
Quote selectie