Het luchtdrukverschil is wel degelijk doorslaggevend. De luchtdrukgradiëntkracht is een zogenaamde conservatieve kracht. Dat betekent dat de arbeid verricht door deze kracht niet afhangt van het pad dat afgelegd wordt tussen het begin- en eindpunt. In dit geval is het dus alleen nodig om de luchtdruk op het startpunt (oosten van Engeland) en het eindpunt (Vlissingen) te weten om uit te rekenen wat de verrichte arbeid is. De potentiële energie die is er vanwege het luchtdrukverschil wordt omgezet in bewegingsenergie (energiebehoud) en daarmee kun je dus de eindsnelheid uitrekenen.
Deze eindsnelheid is een bovengrens, want in de praktijk speelt ook de wrijvingskracht een rol en dat is geen conservatieve kracht. Maar op bijv. het 850 hPa vlak is de wrijving gering en door verticale uitwisseling kunnen de windsnelheden op deze hoogte toch naar de grond komen. En als schatting voor het luchtdrukverval op 850 hPa kun je het luchtdrukverval op grondniveau nemen (rekening houdend met het verschil in luchtdichtheid).
Het isallobarisch effect is hierbij inbegrepen en komt er niet nog eens bovenop. Het gaat hier namelijk niet om de luchtdrukgradiënt, maar om het luchtdrukverschil tussen begin- en eindpunt. De luchtdrukveranderingen van het lagedrukgebied zitten hier al in verwerkt.
Hieronder de ERA5 en NOAA reanalysis voor 25/26 mei 2009. Ook toen was er sprake van een thermisch laag dat zich ontwikkelde tot een randstoring. Bij de onweersstoring die toen over kwam zijn 's nachts zeer zware windstoten voorgekomen.



