Zoals hier boven al gemeld hangt het af van het soort water (stroming) of het type dooi.
Bij dooi met zachte, vochtige wind smelt het meest van bovenaf. Bij zonnig weer in februari smelt het van onderen af. De zonnestralen schijnen door het ijs en verwarmen het water eronder die het ijs aanvreet. Verder speelt ook de watertemperatuur een rol en bij poolijs het zoutgehalte.
Een belangrijk verschil tussen en zoet en zoutwater is dat zoet water de grootste dichtheid heeft bij 4°C. Het water onder het ijs stijgt van 0 tot 4 graden met de diepte en is stabiel en gelaagd van opbouw. Dit onderdrukt de vertikale uitwisseling en isoleert zodoende het ijs van warm water. Wanneer het water bij de bodem echter warmer is dan 4 graden is het lichter en zal het de neiging hebben te stijgen en kan de onderkant van de ijslaag bereiken. Het water moet dus tot in de bodem tot beneden 4 graden zijn afgekoeld voordat zich een stabiele ijsvloer vormt. Dat is ook één van de redenen dat op ondiep water sneller ijs onstaat dan op diep water. Ook de duur van de vorstperiode en temperatuur ervoor spelen daarbij een rol. Na een korte vorstperiode in een zachte winter of vlak na de herfst zal het ijs ook meer van onderen af smelten. Ik kan me herinneren dat er in januari 2007 na twee nachten -4°C nog steeds geen ijs op de sloten lag.
Victor
Quote selectie