Zoals ik het geleerd heb is het verschil vrij duidelijk te illustreren en zelfs belangrijk omdat je moet kijken naar andere aanwijzingen om het te verwachten. Bij ijzel is allereerst sprake van onderkoelde neerslag, de druppel heeft een temperatuur onder 0°C maar is nog vloeibaar. Onmiddellijk bij contact met een oppervlak verandert de aggregatietoestand van vloeibaar naar vast. Bij regen is het proces anders, de druppel is vloeibaar en de temperatuur ervan is boven 0°C. Zodra hij op een oppervlak valt, zal de temperatuur van het vocht eerst moeten dalen tot onder 0°C voordat de aggregatietoestand van vloeibaar naar vast gaat.
Samengevat:
- Neerslag die eerst bevroren is (sneeuw) en dan door een warme laag valt, vervolgens weer in een koude laag terecht komt en onderkoeld raakt maar niet weer bevriest voordat het in contact komt met een oppervlak, is volgens mij ijzel.
- Neerslag die niet onderkoeld is en op een bevroren ondergrond valt, kan leiden tot gladheid doordat het vocht bevriest, maar is op zichzelf geen ijzel.
Het onderscheid is vrij duidelijk als je kijkt naar oorsprong, waarmee je ook weet waar je op moet letten bij het verwachten (voor ijzel speelt de temperatuur van het oppervlak geen rol!!!) en verder is het belangrijk omdat je te maken hebt met tijd: ijzel zorgt voor -onmiddelijke- vorming van een ijslaag op het oppervlak, bevriezing van vocht duurt doorgaans een tijdje (zelfs als het oppervlak -10°C of nog kouder is).
Gr. Ben
Quote selectie