Mijn eigen ervaring is dat numerieke atmosfeermodellen nogal slecht zijn in het simuleren van meteorologische waarden nabij het aardoppervlak. Kijk maar eens naar de gekke bokkesprongen van de EC-oper in de pluim of de hoge dauwpunten bij GFS.
Die gekke bokkespringen vind je in de klimaatmodellen veel minder terug. dat heeft o.a. te maken met resolutie (horizontaal 100-150 km), uitmiddeling (uitvoer wordt gefilterd naar een resolutie van 1 maand, soms zelfs 1 jaar, voordat überhaupt post-processing plaatsvindt) en andere parameterisaties.
De meetreeksen van GISS of het Hadley Center lijken me dan ook niet de beste parameters om modellen op te toetsen. Beter is het te kijken naar de satellietmetingen van de totale troposfeer en daaruit blijkt dat modellen de opwarming wat overschatten.
Ik heb dit al vaker geschreven, maar de meetreeksen van GISS en Hadley zijn m.i. betrouwbaarder dan de satellietwaarnemingen -voor wat zij weergeven-. Satellietwaarnemingen vereisen goede calibratie en gelden voor hele luchtlagen, de foutmarges zijn daardoor behoorlijk groot. Bovendien zijn er momenteel nog aantoonbare problemen met de satellietwaarden (zo vertoont de UAH-geconstrueerde reeks de laatste paar jaar een sterke jaarlijkse gang in de temp. afwijkingen). Aan de grond is homogenisatie van stationsreeksen nodig en goede ruimtelijke weging, maar de foutmarges zijn desondanks kleiner dan bij de satellietwaarnemingen. Geloof dat het ±0,05°C versus ±0,02°C is hedendaags, maar ik moet dat uitzoeken. Met de grondwaarnemingen zijn overigens ook nog enkele problemen (het warmte-uitlaat probleem bij schepen in de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld).
De grootste verschillen enkele jaren terug tussen satellietwaarnemingen en de modellen waren in de tropen. Dat is lange tijd aanleiding geweest voor klimaatdwarsliggers om te stellen dat de modellen niet deugen. De voornaamste oorzaak van deze verschillen zat in calibratie van de satellietwaarden. De verschillen zijn inmiddels grotendeels verdwenen (onderzoek Santer, zie ook citaat en figuur onderaan), enerzijds door vernieuwde calibratie van de waarnemingen en anderzijds door verbetering van de modellen.
Voor verificatie van de bovenlucht wordt overigens nog altijd de voorkeur gegeven aan sonderingen en niet aan satellietwaarnemingen, omdat sonderingen een veel grotere verticale resolutie hebben en de waarnemingen makkelijker te corrigeren zijn voor veranderingen en afwijkingen in meetapparatuur (al zijn de verschillen wel flink afhankelijk van de correctie, zie ook figuur hieronder). Ook daarbij geldt dat de verschillen tussen de modellen en waarnemingen, in de tropen althans, in de meeste gevallen niet aantoonbaar significant zijn. De sonderingen geven trouwens minder grote temperatuurtrends dan de satellieten.
Gr. Ben
While tests involving trends in T2LT and T2 time series almost invariably showed non-significant differences between models and satellite data (Section 5.1), results for lapse-rate trends are more sensitive to structural uncertainties in observations (Section 5.2). If RSS T2LT data are used for computing lapse-rate trends, the warming aloft is larger than at the surface (consistent with model results). Very few simulated lapse-rate trends differ significantly from observations in ‘paired trends’ tests (Table V). When the d∗1 test is applied, there is no case in which hypothesis H2 can be rejected at the nominal 5% level (Table VI).
Bron figuur: Santer, B.D., P.W. Thorne, L. Haimberger, K.E. Taylor, T.M.L. Wigley, J.R. Lanzante, S. Solomon, M. Free, P.J. Gleckler, P.D. Jones, T.R. Karl, S.A. Klein, C. Mears, D. Nychka, G.A. Schmidt, S.C. Sherwood, and F.J. Wentz, 2008: Consistency of modelled and observed temperature trends in the tropical troposphere. Intl. J. Climatol., 28, 1703-1722, doi:10.1002/joc.1756, klik
hier voor het artikel.
Quote selectie