Conclusie
De resultaten van de analyse van de dagelijkse windrichting en de temperatuur in De Bilt zijn dat veranderingen in gemiddelde windrichting over de periode 1904-2000 geen effect hadden op de trend in de temperatuur in De Bilt, maar de temperatuuranomalie bij die windrichting wel. Voor bijna alle seizoenen en windrichtingen is de toename in temperatuur ongeveer gelijk aan het waargenomen verband tussen de lokale temperatuur en de wereldgemiddelde temperatuur. De enige uitzondering is de koude wind in de winter. Een toename is dan niet uitgesloten maar niet zichtbaar. Dit sluit aan met de ruimtelijk homogene opwarming die in ons vorige artikel gevonden was.
Veranderingen in circulatie hebben de jaargemiddelde temperatuur sinds 1904 tot 1960 met ongeveer 0.7°C laten afnemen en sindsdien weer even veel laten toenemen. Eén circulatie-effect springt er uit: in de maanden februari tot maart is er een extra opwarming geweest in de tweede helft van de twintigste eeuw door een afname van het aantal dagen met noorden- en oostenwind en een toename van zuiden- en westenwind. Dit wordt ook door verschillende mensen op theore-tische gronden verwacht. De stratosfeer is afgekoeld, waarschijnlijk door het broeikaseffect en in het vroege voorjaar door de afbraak van ozon. Dit versterkt door de thermische wind relatie de polaire vortex. Er zijn argumenten (bv. Ambaum en Hoskins, 2002) dat deze sterkere westenwind op grote hoogte ook de kans op zuidwestenwind aan de grond in Nederland verhoogt.
Een combinatie van de wereldgemiddelde temperatuur (x1.2) en de windrichtingen beschrijft de temperatuur in Nederland uitstekend over de twintigste eeuw. De toename in de wereldgemid-delde temperatuur geeft de trend met een plateau in het midden van de eeuw. Veranderingen in gemiddelde circulatie versnellen de opwarming de laatste jaren in de winter en het voorjaar en beschrijven ook de variaties op korte tijdschaal heel redelijk.
http://www.nvbm.nl/Meteorologica/archief/2003/jun/oldenborgh.pdf
Quote selectie