WINDHOOS
Woordsoort: znw.(v.)
Modern lemma: windhoos
znw. vr., mv. -hoozen. Uit wind (I) en hoos (III).
+?1. Wervelwind; inz. ter aanduiding van een wervelwind met middelgroote kracht, sterker dan een dwarrelwind, maar zwakker dan een tornado.
?2. (Fig.) Boosaardige vrouw. Gewest. in Limb.
( 1238)
( 988)
( 1017)
( 955)
( 829)
( 699)
( 650)