... je via dialectisch zuid-Nederlands (Vlaams dus

) perfect in staat bent om het geslacht van zelfstandige naamwoorden te weten. Steriele Nederlandssprekenden die geen dialect spreken kunnen dat niet.
Het ligt dus niet zozeer aan het feit dat het zelfstandig naamwoord begint met een klinker, maar wel aan het geslacht van dat woord. Zelfs als het met een klinker begint en vrouwelijk is, dan zal het bezittelijk voornaamwoord NIET "mijnen" zijn, maar wel "mijn". bv. "oog" = vrouwelijk --> "mijn oog" en niet "mijnen oog".
Het regeltje is eigenlijk als volgt:
1. alle zelfstandige naamwoorden waarvoor het dialect "ne of nen" zet als aanwijzend voornaamwoord, zijn mannelijk. "Nen auto", "ne vent", "ne realist".
2. alle zelfstandige naamwoorden waarvoor het dialect "een" zet als aanwijzend voornaamwoord, zijn vrouwelijk. "Een geit", "een koe", "een tafel" "een vrouw" ("een vrààà" uitgesproken in het Aaantwaaarps). In het dialect zegt men niet "ne geit", of "ne koe" of "ne vrouw".
3. Als iets onzijdigs is, dan past altijd het voornaamwoord "het".
De regel gaat op voor 99% van de zelfstandige naamwoorden en is dus zo goed als sluitend. Maar je moet wel een of ander Vlaams dialect kennen (alle Vlaamse dialecten hebben nl. dit kenmerk).
Bon, misschien had dit wel OT gemogen zeker ?
Quote selectie