Je zegt dat de kans op een winterprik klein is, er kan nog van alles misgaan en het is nog bijzonder onzeker (eerste deel van je betoog).
In het tweede deel beweer je ineens met stellige zekerheid dat de winterprik geen naam zal hebben.

( 241)
( 128)
( 67)
( 60)
( 204)
Klein bezwaar
( 181)
Klein bezwaar
( 138)