Interessant.
Hoewel ik die formules niet 1,2,3 begrijp, (...)
Ik heb er twee middagen over gedaan om het een beetje door te krijgen...

Maar de kunst is om ze op te splitsen in kleine stukjes, dan zijn ze al veel beter te begrijpen. Als ik nog tijd heb zal ik dat eens doen en het wat toelichten.
Wat ik me wel afvraag is of er voor een brede hoos meer kracht nodig is. Immers voor het naar binnentrekken van een grotere hoeveelheid draaiende massa is meer energie nodig die bij hozen uit de buoncy komen moet.
Ja, voor een bredere hoos is volgens mij meer energie nodig. Dit blijkt uit Rennó and Bluestein's vergelijking 13. De energie kan in de vorm van omgevingsvorticiteit zijn, maar kan ook zijn in de vorm van buoyancy, dit volgt mooi uit hun vergelijking.
Maar ik meende ook dat het volgens de wet van behoud van impuls niets uitmaakt. De spouts die in Nederland worden waargenomen zijn meestal smal wat zou kunnen wijzen op een matige vorticiteit of misschien aan een tekort aan buoncy?
Ja, of een combinatie hiervan. De hozen die gezien worden op de Middellandse Zee of in Florida zijn vaak breder dan de "NL-hozen", waarschijnlijk daar inderdaad meer buoyancy.
Voorts spelen meerdere factoren een rol bij het voorkomen en breedte van hozen. Terwijl de vorticiteit de straal bepaald van een potentiële spout, bepaalt de mate van turbulentie of die hoos ook mogelijk is. Daarbij geldt; hoe groter de straal des te groter de tolerantie voor turbulentie. Dit verklaart ook waarom zwakke winden en geringe LLshear belangrijke parameters zijn in het verwachten van hozen, want dan is de turbulentie gering en kunnen ook kleine hozen zich onwikkelen. Turbulentie neemt toe bij toenemende windsnelheid en is een direct gevolg van luchtlagen die met verschillende snelheden langs elkaar bewegen. Enerzijds veroorzaakt die shear wervels maar ze worden ook weer net zo snel stuk gemalen door de turbulentie. Alleen zeer krachtige, grote, solitaire wervels kunnen dan uitgroeien tot een hoos.
Zo zie ik het inderdaad ook.
Een ander proces wat een rol speelt is het ordenen van warme en koude lucht o.i.v. de centrifugaalkracht. In een wervel worden afzonderlijke luchtpakketjes naar dichtheid geselecteerd. De koudere en zwaardere lucht wordt naar buiten geslingerd en de warmere, lichtere lucht dringt naar binnen. Hierdoor krijg je in het centrum een ophoping van geconcentreerde warmte, omringd door een huls van koude lucht. Een roterende cilinder met geconcentreerde warmte stijgt veel sneller wat op haar beurt weer de convergentie aan de onderzijde vergroot. De omgevingsrotatie versnelt waarin warme- en koude worden gescheiden en de stijgende warme cilinder wordt aan de onderkant verlengt. Dit vergroot de stijgkracht, dus de convergentie en dus de wervel etc.
Bedankt voor deze uitleg! Rennó en Bluestein beschrijven wel dat de koele daalstroom zich aan de buitenkant bevindt, terwijl de warme stijgstroom in de kern zit, maar leggen niet uit hoe dit precies komt. En dat was nu juist wat ik me nog afvroeg! Als je het eenmaal weet is het eigenlijk best logisch, waarschijnlijk was het te triviaal om in het artikel uit te leggen...
Het blijft inderdaad zeer interessant. Zoals jullie misschien wel merken ben ik erg enthousiast over het artikel van Rennó and Bluestein, dat komt omdat ik voor het eerst de opgedane kennis van het afgelopen jaar (ik heb mijn propedeuse natuurkunde en sterrenkunde gehaald

, volgend jaar verder met bachelor natuurkunde) goed kan toepassen op meteorologisch gebied.
Groeten,
Bas
ps. Wat mij betreft mag deze thread naar het verdiepingsforum, want het duurt niet al te lang of hij "floept" al naar het archief...
Quote selectie