Hoi Ruben,
Even een verlaat antwoord. Bij een dauwpuntdepressie (verschil tussen T en Td) van 7 graden (want: T = 23 en Td = 16) zijn prima waterhozen mogelijk. Dit blijkt eigenlijk simpelweg uit de statistiek.
(Bij een T/Td van 23/16 hoort een condensatieniveau van rond de 900m hoogte.)
Toch heb ik het idee dat een laag condensatieniveau vooral gunstig is omdat een stijgend luchtpakketje dan al snel de natadiabaat volgt (dat is: met slechts een graad of 5 afkoelt per kilometer stijging). Hierdoor zal de opwaartse versnelling (samenhangend met de CAPE!) van het pakketje groter kunnen worden bij een verticaal temperatuurprofiel dat steil genoeg is.
Naarmate de temperatuurdaling met de hoogte toeneemt, hoeft het condensatieniveau minder laag te liggen om eenzelfde versnelling te krijgen in de onderste kilometers.
Het hangt dus van het temperatuurprofiel in de onderste kilometers af of een laag condensatieniveau nodig is voor de vorming van waterhozen.
Trouwens hadden we het er ook al over dat een droge bovenlucht gunstig lijkt te zijn voor de vorming van waterhozen. Hierdoor wordt de lucht in de omgeving van de bui nl. sterker afgekoeld (sterkere verdampingsafkoeling waar de droge omgevingslucht in de bui belandt) zodat de feitelijke CAPE op groter kan worden waar stijg- en daalstromen naast elkaar terechtkomen.
Hopelijk heb je hier iets aan...
Groet,
Alwin
Quote selectie