[...]
Hoe je het ook wilt kwantificeren, energiestromen van ijs naar de atmosfeer en de ruimte zijn afhankelijk van de bewolkingsgraad en de wind.
Bij veel wind wordt er meer warmte afgevoerd, wil je dat effect niet in windchill uitdrukken, zoek dan een andere maat.
Bij helder weer is de uitstraling beduidend groter dan bij bewolkt weer. Het moet bekend zijn dat in het eerste geval de ijsaangroei groter is.
Wanneer de koude lucht van het land over het ijs wordt gevoerd, is de turbulentie gering. Geen oppervlak heeft minder ruwheid dan het gladde ijs. Dat betekent dat de lucht op anderhalve meter weinig in contact komt met de ijsvloer, vergelijkbaar met de dunne luchtlaag vlak bij de grond.
Dat men ongeacht genoemde omstandigheden onverkort vasthoudt aan die ene maat, de T1,5 verklaart mijns inziens de zwakke prestatie van de ijsaangroeiverwachtingen. Hoe is het mogelijk dat er niet meer differentiatie wordt betracht?
Twee punten nog.
1. Over die invloed van wind. Ik vraag me af of er bij windkracht 6 op dik ijs substantieel meer warmte wordt afgevoerd dan bij kracht 3.
Hoe wil je dat kwantificeren? Ik heb het idee dat er verzadiging van dat effect optreedt.
2. Die differentiatie. Lastig punt maar als je oplet is daar altijd wel iets van te zeggen. Ik probeer dat altijd wel in mijn Winterbulletin.
Vuistregels zijn steeds op T1,5 betrokken. Grasminima zeggen niet zo veel. Bij veel verschil tussen T0,1 en T1,5 is er weinig of geen wind. Dus helpt het weer onvoldoende.
Groet,
Cees
Quote selectie