Hallo,
Het gaat mij er ten eerste om dat de originele meting behouden blijft. Elke aanpassing van de originele meting is een vergroting van de foutenmarge omdat naast de originele foutenmarge er een foutenmarge op je aanpassing ontstaat.
groeten Rob
Ik heb in een vorig antwoord vrij ruw over foutenmarges en meetfouten geschreven. Jij doet dat in dit fragment ook en suggereert daarbij dat de foutenmarge al maar groter wordt. Tijd dus om iets dieper op de materie in te gaan.
We moeten een onderscheid maken tussen systematische fouten en toevallige fouten.
Om met de laatste te beginnen: toevallige fouten zijn er altijd. We proberen deze zo klein mogelijk te maken door bijvoorbeeld nauwkeurige instrumenten te maken. De mogelijke afwijking die daarbij ontstaat zal dan in het niet vallen bij andere mogelijke afwijkingen.
Andere toevallige fouten ontstonden bij het visueel aflezen van thermometers of grafische registraties. Al gauw 0,1 graad. Kan naar boven of beneden zijn.
Waar het om draait zijn de systematische fouten. Bekend is het foutief plaatsen van een thermometer of thermometerhut. Als je een thermometer op een balkon hangt of in een beschutte tuin kan er, afhankelijk van de instraling van de zon, een systematische afwijking ontstaan waardoor de meting niet representatief is voor de luchttemperatuur ter plaatse. Ook kan de mate van doorstroming van het meetsysteem een rol spelen.
Ik heb zelf eens een simpele schotelopstelling gehad in mijn tuin. In de winter was 's nachts bij bedekte hemel de temperatuur altijd beduidend hoger dan die van de Luchthaven Rotterdam. Bij heldere hemel en een beetje wind kwam de waarde weer goed overeen. Kennelijk vooral een stralingseffect; de plaatsing was niet in orde.(mogelijk ook de opstelling zelf)
Specifiek van belang voor onze discussie lijkt me
A. de verandering in meetmethode,
B. verandering in de omgeving van de meetopstelling (begroeiing, bodembedekking) en
C. verplaatsing van de meetopstelling.
Deze kunnen de meetreeks inhomogeen maken waardoor vergelijking over langere tijd discutabel wordt of ronduit misleidend. Het gaat dan om systematische meetfouten die er zijn in de ene reeks t.o.v de andere.
A. Bij verandering van de meetmethode is hier al de meting van de zonneschijn genoemd. Daar treden systematische verschillen op tussen de oude en de nieuwe methode.
B. Verandert de begroeiing in de omgeving van een meetopstelling, dan kan ook dat invloed hebben op de uitkomst; ook daardoor kan de vraag opkomen of over langere tijd de metingen wel vergelijkbaar zijn. Het antwoord kan zijn: niet vergelijkbaar, of althans met een onacceptabel systematisch verschil.
C. Verplaatsing van de meetopstelling kan systematisch invloed hebben op de temperatuurmeting. Wel afhankelijk van het seizoen en mogelijk de wind en bedekkingsgraad.
Een dramatisch voorbeeld van "verplaatsing" is het vergelijken van reeksen die op beduidend verschillende plaatsen zijn gemeten. Ooit werden in één reeks de metingen van Maastricht gekoppeld aan die van vliegveld Beek. Ooit werden de metingen verricht in Maastricht en vanaf zeker moment op vliegveld Beek. De laatste reeks is al lange tijd in gebruik, maar van bijvoorbeeld 1947 zijn er alleen metingen van Maastricht. Het is bekend en verklaarbaar dat de reeks door die verschillende meetplaatsen sterk inhomogeen wordt. Ik dacht dat deze reeks al 15 jaar geleden gehomogeniseerd is. Vliegveld Beek ligt niet nabij de stad en hoger dan Maastricht, wat de verschillen verklaart. Je kunt zelf wel bedenken welke verschillen dat op warme en zonnige zomerdagen kan opleveren.
Zou je de reeks niet homogeniseren, dan zou je concluderen dat het bij Maastricht koeler geworden is in de zomer.
Stellen dat het homogeniseren nieuwe foutenmarges toevoegt lijkt me dan op zijn minst zeer onvolledig en gaat voorbij aan het feit dat storende afwijkingen binnen een reeks er zo goed mogelijk uit gehaald worden. Maastricht is daar een mooi, zij het extreem, voorbeeld van.
Groet,
Cees
Quote selectie