Er spelen twee belangrijke veranderingen in de meetopstelling en -methode die hebben plaatsgevonden:
1. Van grote pagode naar Stevenson hut in 1950
2. Verplaatsing van ca. 300 meter van een beschutte naar een open locatie in 1951
In beide gevallen levert dat een correctie naar beneden op (er werd dus te hoog gemeten). Dat een beschutte opstelling, warmer wordt, spreekt voor zich. De pagode hut was een soort 'broeikas' met open zijkanten waarin op dagen met relatief weinig doorstroming, vanuit de top van de hut de warme lucht weer naar beneden zakte en daar opnieuw opgewarmd werd. Dit leverde metingen op, die soms graden (ja, meerdere) boven de werkelijke luchttemperatuur lagen.
Er is over een periode van vier volle jaren gelijktijdig gemeten met beide hutten en later ook tegelijk op de oude en nieuw meetlocatie. Al deze metingen zijn bewaard gebleven. Daar zijn (opvallend genoeg nú pas) de correcties op gebaseerd. Het corrigeren is gedaan op basis van percentielen: bij extremen, zowel de hoge als de lage kant op, is de correctie anders dan bij temperaturen die rond het langjarig gemiddelde schommelen.
In de overlapperiode worden de percentielen van reeks 1 aan reeks 2 gelijk gemaakt. Dit levert per percentielgroep (kwantielen) een correctiefactor op. Deze factor wordt vervolgens, naar het juiste kwartiel, op de oude metingen toegepast. Je krijgt hiermee dat de belangrijkste statistische eigenschappen van de reeks (inclusief bijv. scheefheid) worden gehomogeniseerd. Deze techniek is ook toegepast in andere landen zoals Australië en op reeksen van 174 stations in het Middellandse Zeegebied, van Spanje tot Griekenland.
Kritiek valt best te geven
Valt er geen kritiek te leveren op de gekozen techniek? Jawel. Zo wordt veronderstelt dat de correctiefactor voor alle jaren vóór een 'breuk', toepasbaar is. Dat is twijfelachtig in het geval van De Bilt. Omdat daar de breuk rond 1950 ook deels komt door verplaatsing (dus omgevingsverandering). Als de omgeving niet verandert maar alleen de meethut of het instrument, dan is een tijd-constante correctie wel realistisch.
Ik mis in de documentatie van het KNMI verder de foutmarges die deze techniek ook oplevert. Er zouden 95%-marges moeten worden getoond en nog beter, je zou een aantal reeksen kunnen maken die de marges reflecteren: een 'maximale' en 'minimale' reeks. Je zal zien dat daarbij bijvoorbeeld het aantal hittegolven zomaar ook veel meer kan zijn.
Quote selectie